Dichter bij de Dassenburcht

-voor alle helden en hun juffen-
-voor meester dichter en voor zijn werk-

voor Pieter

Gezocht
Dromen, vertellers bij wie alles kan
Als je kiezen mag, weet je, wat kiest iemand dan?
Niets is onmogelijk, niets is te gek
Een vis met twee poten en een lange nek

Zelfs een reus die eerst kindertjes lekker wil eten
kan in dromen zijn honger spontaan wel vergeten
Boos en gevaar zijn heel goed te bestrijden
Met aandacht voor dat wat een mens kan verblijden

Ik zie echt geen kwaad in verzonnen bestaan:
Goede moed, liefde, hoop, tegen angsten voortaan

Nu eindelijk de Paasvakantie begint, loop ik met mijn groep drie mee naar hun schoolplein. De werkboekjes en tekeningen-voor-mee-naar-huis  hebben we in rugzakken en tassen gestopt. Is er geen drinkbeker of jas vergeten?
“Fijne dagen”, klinkt over en weer.

“Weet jij eigenlijk hoe je wéét dat je een held bent, mam?”, hoor ik Lotte aan haar moeder vragen meteen als ze die ziet.
“Hmm?”, antwoordt haar moeder.
“Je kunt er niets voor-, of tegen doen!”, meent Lotte.

De neus van de mama van Lotte rimpelt een beetje.
Zoals in bergbeekjes water langs keien stroomt, groeven er lijntjes in haar huid, om vlekjes heen. Haar mond lijkt op een zevende deel van de maan dat horizontaal, maar gebogen als een schaaltje, in de hemel staat.
Ach. Lotte is soms heel fel. Dan verkleuren haar mosgroene ogen aardbruin en haar stem snerpt behoorlijk.
Sommige kinderen schrikken daarvan en er zijn ook grote mensen die pertinent even niet meer willen luisteren naar zo’n eigenwijs portret.
Maar Lotte is haar moeders held en dat weet ze.

“Het komt allemaal door die moeder”, sluieren sinds een paar dagen woorden in een mistige walm, soms hoorbaar, boven het schoolplein. Sommige collega’s hangen inmiddels ook aan woorden in die wolk. Ik niet. En de meeste mensen niet.
Ik heb hier geen woorden voor.
Het lijkt mij verstandig om niet teveel te zéggen, zodat ik goed kan luisteren naar Lotte.

“Dát kind wil alleen maar de baas zijn!”, hoor ik vanachter mijn bureau, hoe op dinsdag na de vakantie, na schooltijd in de gang, een moeder van een kind uit groep vier praat tegen een moeder van een kind uit groep drie.
Zij heeft het over een kínd. Een kind in mijn groep.

Ik moet denken aan mijn allereerste jaar als juf. Ik had zelf nog geen kinderen en ook nog geen neefjes of nichtjes. Ik was aangenomen op een school, waar kinderen met een heel verschillende culturele achtergrond met elkaar hetzelfde onderwijsprogramma zouden doorlopen.
De ouders van de kinderen in die klas hadden geen van allen een ouderdiploma, maar zij gunden elkaar en mij -als beginnende juf – een tien. Gunden: Zij haalden dat geen van allen. En ik bij lange na niet.

“Ha juffie.”
Dat is een prettige verrassing. Daar staat Koen. Inmiddels dertien jaar.
“Ik dacht -het achtse uur valt uit- ik kom eens even naar juffie.”
“Wat vind ik dát leuk, Koen. Hoe is het thuis?”
“Om het weekend ga ik naar mijn vader, juf, mijn ouders zijn gescheiden. Maar papa woont vlak bij. Mijn moeder is nog vaak verdrietig.”

Koen. Koen. Koen. Mijn ogen prikken in een waterige waas.
“Ik weet niet wat ik zéggen kan, Koen.”
“Knuffel?”

Er ligt een stapel schriften, daarnaast een toren werkboekjes, daar weer naast een pakketje toetsbladen en over een kwartier begint de teamvergadering.
Ik moet denken aan een dag, jaren geleden, waarop Koen voor een volle klas, zonder haperen, het verhaal van Hendrik Haan uit Kogen Aan De Zaan opdreunde.
Hij was toen zeven jaar. Zijn mimiek, de intonatie, alles klopte. Heerlijk voor dat ventje en voor de groep. Wat waren zijn ouders blij met hem zonder ooit op te scheppen.

Ik onderdruk mijn neiging om de hele boel de boel te laten, maar ik besluit die vergadering te skippen uit mijn agenda.
Nadat ik alles heb nagekeken en in het digitale systeem heb vastgelegd voor het vervolg, stap ik op mijn fiets naar huis.
Het is kwart over zes.

“Ik ben mama’s held, juf” had Lotte me verteld.
Ik weet niet waarom er tranen biggelen over mijn wangen.Ik begrijp niet waarom ik huilend op mijn zadel zit en doortrap. Ik  trap, alsof ik als éérste een finish moet halen.
Ze moest nog even wat sommen afmaken.

verboden
verboden voor dromen vol heksen en feeën
verboden voor álle verzonnen bestaan
de Schepper kan ’s mensen ’s verzinsels niet aan
al dient ook een sprookje een goede moraal
op school hoort men voortaan de écht ware taal
volgens bruiden van Jezus met benen bedekt
gehoed en de tafel vóór zessen gedekt
mijn zonde is helder: Oo wee fantasie
het leven is hard hier tot kwart over drie

“Eerst was het nog ons geheim, juf. Dat was, omdat het bij mij net begon. Vijf jaar geleden voor het eerst, in april, aan de rand van het bos. De vlierstruiken bloeiden hun bloesem en ze verspreidden haar heerlijke geur.”
Ik rekende snel uit dat Lotte toen bijna drie jaar was, in die lente. En- zoals wel vaker- verbaasde ik me over haar verbale kwaliteiten.
Als Lotte zou kunnen opschrijven wat ze soms zei, zou er zomaar een gedicht kunnen staan.

“Mama is niet vergeten dat Snoet en Sproet met hun kopjes naar beneden, op vier kleine, snelle pootjes, vliegensvlug, via de stam van de boom, het bladerdek uitroetsjten, héél vroeg in de ochtend. En dat ze vlak daarvoor nog dennenappels naar beneden hadden gegooid, waarvan sommigen tegen het doek van onze tent aankwamen, waardoor wij toen wakker werden.”

Lotte sprak in lange zinnen.

“Snoet en Sproet hebben van die schattige borsteltjes in hun oortjes. Mama weet ook nog dat we eerst de koekoek hoorden, daarna de duiven en toen pas alle merels. En dat de uilskuikens geboren werden, in dat kastje aan die eik.”
Met die sommen werd het niks die dag. Wat ze af had was zonder foutje.


Ik trap en trap. Regendruppels vermengen zich met het water op mijn wangen.
Ik denk aan Zakarya, toen. Die keer dat hij deed alsof hij zijn arm gebroken had.
Ik was er compleet ingetuind. Heel zijn mimiek, dat wiebelen en friemelen op zijn stoel, het omgedraaid-, of opeens helemaal niet meer op zijn stoel zitten.
Alles in-, en aan dat kereltje vroeg om constante aandacht in de groep.
“Hoor mij, kijk naar mij en hou van mij”, leek hij van iedereen te verlangen.
De groep moest die dag een rekentoets maken en omdat het zijn schrijfhand was, zag ik geen andere oplossing dan hem naast mij, aan het bureau voor de klas, zijn antwoorden digitaal te laten intikken. Pas na een half uur kwam ik erachter dat hij ook het digibord had aangezet, waardoor zijn antwoorden -voor iedereen zichtbaar- op de muur achter mijn rug  werden geprojecteerd. Mijn gezicht toen: Vermoedelijk als kroosloos water in een vijver in een nieuwbouwwijk op een windstille dag. Maar zíjn gezicht: Als een waterval in de bergen over twee grote glanzende rotsblokken.

Het lijkt alsof er ten minste één straaltje zon mijn gezicht beschijnt.

Na het eten met een wijntje wil mijn hoofd niet meer mee in de gebruikelijke dinsdagavond. Ik zit die avond, zoals wel meer avonden de laatste tijd, wazig naast onze kinderen op de bank voor de televisie. Zij zijn allerliefst, ze kunnen mijn aandacht wel even missen.

Verleden jaar ging ik drie dagen mee op kamp met groep acht. Bij vrije tijd trok Koen zich af en toe terug uit de groep. Dan zocht hij een volwassene op voor een klusje samen. Hij had dan net daarvoor impulsief, onhandig, hardhandig of drammerig geïnteracteerd. Niemand anders dan Koen had altijd zin in een goocheltruc en dan voelde hij zich teveel. Ook wel schuldig. Hij wist dat hij veel aandacht vroeg. Hij zou dat zomaar niet toegeven: Het was niet negatief bedoeld.
Als Koen dan samen met meester Sjaak de spullen voor een spel had opgezocht -of iets anders maar met iemand anders samen weer had opgebouwd- riep hij: “Knuffel?”
Daarna kon hij dan met een ontwapenende eerlijkheid zeggen: “Sorry van net.”
De angel in de groep was er dan meestal al lang weer uit.
Zijn klasgenootjes, volwassen mensen, iedereen, hield daarin eigenlijk gewoon net een beetje meer van Koen, al deed hij soms irritant.

“Gewoon een beetje met Lotte meebuigen” dacht ik “en bij tegenwind een klein beetje dieper.”


Iedere woensdag begin ik met pleinwacht. Lotte staat graag achter op de drager van haar mama’s fiets. Dan houdt zij haar moeder bij de schouders vast. Soms zingt haar mama wat Lotte neuriet in haar oor en andersom. Grappige liedjes op gekke melodietjes. “Fijne dag, Lotte, veel plezier”.
“Jij ook, mam.”
Vandaag heeft Lotte leeslijst nummer vijf in haar tas, een volle beker en een koek. Het is mei. In de buurt waar zij woont kan zij niet zien en ruiken of de vlier nog bloeit. Maar zij draagt stoffen bloemen in haar haren en sinds de vakantie zit daar ineens ook een nylon vogeltje naast.

“Met Lies en mama heb ik afgesproken dat ik vanaf vandaag iedere ochtend zal beginnen met mijn leeshoofd, juf. Zodra jouw wekker gaat zal ik proberen mijn leeshoofd even uit te zetten. Afzetten gaat natuurlijk niet.”
Ik knik en ik zet het klokje op tien minuutjes. Met een boogje, steeds boven ieder volgend woordje, schuift een vinger over het blad. Haar neus raakt zo af en toe het papier aan. Soms staat ze even op met het opengeslagen boek in een hand vlak onder haar ogen.
De wekker gaat. “Lotte, jij mag even zoeken.”

“Eigenlijk is dat rommelen, juf, want mijn hoofd is meestal niet opgeruimd. Maar echt alles zit er in, hoor, al ligt niets op een vaste plek. Ik moet even mijn rekenhoofd vinden en dat verstopt zich erg graag.”
Ik tuit mijn lippen en leg mijn opgestoken wijsvinger daar tegen aan.
Lotte zal zo de koptelefoon opzetten om het geluid van bonkende balpennen en schuivende stoelpoten, van knallende kleurpotloden, van mompelende magen en sniffende snotneuzen te dempen. Haar potlood ligt meestal geslepen klaar, want slijpen doet zij tegenwoordig ’s middags na school.
Als iedereen al zeker één rijtje af heeft begint zij meestal pas.
Van mij hoeft zij geen zorgen erover dat velen al zo veel verder zijn.

“Of ik het af krijg ligt eraan of er wel-, óf geen tekeningen in het boek staan. Voor mijn rekenhoofd is het beter zonder plaatjes. Ik heb ook een gum. Die heb ik zelden nodig, maar ik vind het fijn om erin te knijpen met mijn linkervuist.
Lies zegt dat dát mijn rechter hersenhelft stimuleert. Ik geloof dat ik dat snap, dat met hersenhelften. Ook weet ik al dat stimuleren gewoon een beetje helpen betekent. Dat doe ik vanzelf. Alle helden helpen graag. Helften mogen samenwerken en helden ook.”
Ik tuit mijn lippen en leg mijn opgestoken wijsvinger daar tegen aan.

Om tien uur gaat mijn groep naar buiten. Lotte en Dorena staan naast het klimrek. Fransien en Suus hangen daarin. Achmed ruilt een halve koek voor wat druiven.
“Eekhoorns komen gewoon graag naar mij toe, omdat zij ook helden zijn. Helden hebben elkaar nodig om samen de wereld leuk, goed en eerlijk te maken.
Als helden samenwerken kan iedereen een held worden. Kan. Je moet wel willen en niet bang zijn.”

Kleine, lieve Lise Lotte
rijgt haar woorden aan een snoer
Dat wat in haar hoofdje omgaat
draait direct op volle toer
En al zijn dat allen kralen
woord voor woord van parelmoer
Als zij eerlijk daarvoor uitkomt
draait de wereld haar een loer?

“Eekhoorns kunnen helemaal niet praten.” weet Suus. “Hoe kun je nou met een eekhoorn samenwerken?”

Ik zie toch, ik hoor toch, ik voel toch, ik weet toch lieve, kleine Lise Lotte: De wereld is hard. Ook constateer ik, dat ik dat Lotte niet hoef te vertellen. Ze zal dat niet horen. Ze zal dat niet zien. Ze zal er alles tegen doen dat in haar vermogen ligt.

Lieve, kleine Lise Lotte
hoort bij voorbaat harmonie
slaat in plaats van groots presteren
driekwarts maten op haar knie
Alle toetsen over lezen
meten niet wie zij kan zijn
Liever blijft dan Lise Lotte
Eeuwig en voor altijd klein!

“In plaats van die koptelefoon in jouw klaslokaal, neem ik verder overal een bosje verse peterselie mee naar toe, juf, voor de zekerheid. Een koptelefoon staat zo gek.
Peterselie kan overal groeien dus dat vind ik altijd wel ergens.
Soms is in één oor genoeg, soms friemel ik kruid in twee oorsgaten.
Als er een beestje bij zit is dat geen ramp: Ik heb ook een leeg luciferdoosje in mijn broekzak.”

verboden
verboden voor dromen vol sprekende dieren
verboden voor álle verzonnen bestaan
de Schepper kan ’s mensen ’s verzinsels niet aan
al dient een legende ons aller bestaan
op school leren kinderen de waarheid verstaan
volgens mannen met stropdas, colbert zonder kreuk
het leven is later echt ook niet meer leuk
mijn zonde is helder: Oo wee fantasie
het leven is hard hier tot kwart over drie

Lotte heeft veel vriendinnetjes en vriendjes ook. Ze kan ook zo meeslepend enthousiast zijn in haar spel.

“Een eekhoorn kijkt en luistert eerst voor zichzelf. Hij kijkt heel goed en heel stil naar alles dat langs waait. En dan, als de bui is overgewaaid, kiest hij zachtjes aan wat hij waarmee doet.”

Sommige kinderen horen haar graag kletsen. Ik ook.
Ik merk dat ik luister naar Lotte, alsof ik zelf nog zeven ben. Eigenlijk wil ik  dan best weer even zeven zijn. Ik luister zo naar alle kinderen, maar Lotte raakt iets in mij dat wijzer is dan ik weet.

“Ik weet niet of ik voor íedere held gelijk heb. Dát vind ik wel jammer. Ik zou heel graag voor iedereen gelijk hebben. Een eekhoorn heeft dat nog het vaakst. Maar zelfs een eekhoorn heeft ’t niet altijd gelijk. Hij spaart ook, vanaf de herfst voor de winter. Hij bewaart alles op een veilige plaats. Ook een eekhoorn moet er hard voor werken en het meeste van dat werk valt de meeste dieren niet meteen als zodanig op, ik bedoel, het lijkt op spelen.”

Vooral ook dat ‘als zodanig’. Waar haalt zo’n kind zo’n woord vandaan? Is dat haar moeders schuld? Is het zoals die nare woorden klonken in die akelig klamme mist boven het schoolplein?
Dat geloof ik niet.
Ik besluit er een huisbezoek aan te wagen.


De moeder van Lotte staat achter het fornuis als ik aanbel. “Hoi juf, wat gezellig dat u langskomt. Wacht even, mijn verrassing is net klaar, maar het vuur moet eronder uit en dát vergat ik nog.”

Nadat ik samen met Lotte haar slaapkamer mag bekijken, nadat ik gezien heb dat het echt ietwat té rommelige huis vol hangt met tekeningen van kinderen en gevestigde kunstenaars, eten wij verse, warme appelmoes uit rode pudding schaaltjes.
Lotte mag er wat slagroom op.
Als Lotte inmiddels speelt bij de vijver met haar vriendje, een visnet, een emmer en met haar laarzen aan, vertelt de moeder van Lotte me dat Lotte ook thuis bij taakjes regelmatig te horen krijgt dat ze nu even op moet schieten, of dat ze haar aandacht bij de taakjes moet houden. Als dat maar niet boos of ongeduldig of onverwacht wordt gezegd, kan Lotte daar goed mee om gaan.
Ook lijkt het erop, dat Lotte soms niet direct luistert naar wat er is gezegd of gevraagd. En zij wil dingen graag op haar eigen manier doen.
Anderen denken dan soms dat zij persé onder een opdracht uit wil komen, of alleen maar haar eigen zin wil doen. Er wordt haar vaak gezegd dat zij niet steeds zo de baas moet spelen, omdat niemand dat leuk vindt. Er zijn een paar kinderen geweest die aan Lotte vertelden dat hun moeder of vader haar echt een stom kind vindt. En er was ook een moeder van een vriendinnetje die tot twee keer toe een gemaakte afspraak afbelde, omdat haar kind bij nader inzien nooit meer met Lotte wilde spelen.
“Lotte reageert daar laconiek op. Er zijn heel veel kinderen en ouders die wel van Lotte houden”, zegt haar moeder “en dat vergeet Lotte niet.”
Lotte heeft veel tijd nodig om om te schakelen. Ik geef haar die tijd. Ik laat haar vertellen hoe het voor haar is. Ik buig mee binnen het mogelijke.”

Ik realiseer me dat Lotte aan het begin van dit schooljaar en in groep twee eigenlijk de hele dag door meende dat zij extra haar best moest doen om erbij te mogen horen. De felle pertinentie waarmee zij in alledaagse gesprekjes kon reageren verraadde een schijnzekerheid over haar eigen denkwereld en over zichzelf onder anderen.
Lotte hoorde vaak dat ze niet zo overdreven haar best hoefde doen. En ook dat zij niet zo boos mocht worden en dat ze niet altijd haar zin kon krijgen. Dat waren dan erg verwarrende tips voor Lotte, want natuurlijk dreef zij vanzelf op haar best. Zij deed haar best de hele dag. Ook zij wilde het goed doen en eerlijk om de beurt. Samen met Lotte kwam er misschien wat vaker dan gemiddeld geen ideetje, iets gemakkelijker ruzie over regels. Vooral misschien met andere meisjes. Met kinderen die beter wisten hoe het volgens hen gewoon hóórde, namens de grote mensen die spraken volgens God.

verboden
verboden voor weerwolven, reuzen en eenhoorns
verboden voor álle verzonnen bestaan
de Schepper kan ‘ s mensen ’s verzinsels niet aan
al dient ook zo’n wezen een spannend verhaal
op school spreken wij slechts in Bijbelse taal
over vaders die zomaar hun zoon bijna doden
over bloed voor de wereld en het delen van broden
mijn zonde is helder: Oo wee fantasie
het leven is hard hier tot kwart over drie

“Over wat God wil en of Hij überhaupt wel-, of niet bestaat, maken mensen over de hele wereld al sinds mensenheugenis ruzie”, zegt haar moeder.
Ja. Lotte heeft botsingen met mensen die de door hen besloten regels te zeker stellen tegenover iets dat Lotte denkt. Lotte zonder mysterie? Lotte en stéllingen trekken elkaar aan als magnetische tegenpolen.

“Nu heeft ze peterselie ontdekt”, zegt haar moeder met een berustende glimlach. “Soms propt ze het al van te voren in haar oren. Sorry dat ik dat zeg alsof dat heel gewoon is, maar Lotte en ik vergeten wel eens dat iedereen op een eigen manier een held mag zijn.”

Lotte had het zeker van geen vreemde.
Ik hou mijn gruwelijke hekel het aan woord schuld.


“Joris, weet jij dat eekhoorns soms bij mensen aankloppen?”
Ook Joris reageert herhaaldelijk even boos op kinderen, op juffen en op andere grote mensen die zijn plannetje niet begrijpen. Maar hij wordt zelden boos op Lotte.
“Waarom zouden eekhoorns dat doen, Lotte? Het is vast maar een sprookje.”
“Omdat kinderen daar blij van worden natuurlijk!”

Als juf kun je niet altijd alles geloven dat helden elkaar wijsmaken, maar dit geloof ik wel. Joris ook!


Op onze school hebben we het doorheen de hele dag óók over God. Alle ouders en kinderen onderschrijven zijn bestaan met respect voor de door ons schoolbestuur, samen met het bovenschoolsmanagement vastgestelde wijze.
Op de school naast die van ons wordt vooral in Zijn Geest gesproken en onderschrijven alle ouders en kinderen daar hun respect voor. En op de school daar weer naast onderschrijven ouders en leerkrachten respect voor onderwijs voor iedereen, ongeacht geloof.
En dan zijn er nog legio scholen waar kinderen en ouders het geloof op een zo speciale wijze onderschrijven dat dergelijke scholen niet in dit dorpje passen.

Soms meen ik wel eens dat dit dorpje lijkt op het dorpje Eucemene in Katoren en dan denk ik aan die bijna-koning Stag. En aan zijn hondje Vlek. Stag is een moedige en geliefde jongen, die gedurende het verhaal, alle onoplosbaar lijkende opdrachten goed uitvoert. Als laatste proef voor de bekroning krijgt Stag van de ministerraad de nutteloze opdracht om van de hoogste kerktoren in het land af te springen.
Zou zo’n zinloze beproeving in ons dorpje -door wie of wat dan ook- aan een moedig iemand worden voorgelegd, dan droom ik. Dan bid ik. Dan duim en wens ik: Dat van de ministerraad uiteráárd – in plaats van een mens- van heinde en verre vliegende-, en gewone eekhoorns die toren omhoog mogen komen opstórmen. Vliegende en gewone eekhoorns samen, alsof zij een school mieren vormen, op weg naar hun hoop.
Dan vertrouw ik erop dat die eekhoorns goed gebruik weten te maken van hun pluimstaarten.

Ik meen al heel lang dat sommige bazen die over het verdelen van kinderen, juffen en meesters, over sommige scholen willen gaan, in het verleden, soms, mogelijk niet helemaal goed hebben begrepen, waarom Jezus is geboren als Zoon van Onze Vader.
En ik wil heel erg graag voor alle kinderen, dat er in de toekomst niet per ongeluk een verschraling van begrip voor Onze Vader zal ontstaan. Omdat ik in Hem geloof.


Uiteraard is al dan niet geloven aan iedereen op aarde op een eigen wijze doorgegeven. Ik meen dat Jezus geboren is en dat dat geen sprookje is. Het verhaal van Zijn leven betekent voor mij een positief voorbeeldige verschuiving in mijn persoonlijke menselijke denken in goed en kwaad. Een verschuiving die ik vol graagte aanneem als een geschenk waar iedereen blij van zou kunnen worden, waar iedereen in zou kunnen delen en waarvan ik al sinds mijn geboorte mag ontvangen. En dat noem ik liefde.
Ik meen dat het niet mogelijk is dat een ander mens geloven precies op dezelfde manier beleeft als ik. Misschien is Jezus daarom wel geboren?

Gelúkkig zijn sprookjes bewaard en wereldwijd verspreid in alle talen. Gelúkkig dienen sprookjes – tot in het einde der aardse tijden- de boodschap van de overwinning van goed boven kwaad. En er bestaan inmiddels versies van -bijvoorbeeld-het verhaal van Vrouw Holle, waarin uiteindelijk ook de boze stiefmoeder en het akelig jaloerse stiefzusje zich vol overtuiging nog tijdens hun leven ten goede keren.
Ik vind sprookjes niet minder mooi of minder interessant als ze niet echt bestaan.
Ik meen dat ze mijn leven werkelijk verrijken.

Toen ik een jaar of tien was vertelde ik aan mijn oudere broertje dat ik niet echt meer geloofde in elfjes, maar wel nog in wat zij ons willen vertellen. Hij vond dat een beetje meisjesachtig en dat kwam misschien doordat hij een jongentje was. Als hij dat niet wilde hoefde hij daar niets aan te doen. Maar ik zou het wel leuk hebben gevonden. Er bestonden toen ook al verhalen over jongens elfjes. Ik vond alle elfjes leuk. In mijn spel mochten elfjes meedoen zoals zij dat wilden.

verboden
verboden voor helden en mannen van Mars
verboden voor álle verzonnen bestaan
de Schepper kan ‘ s mensen ’s verzinsels niet aan
al gaat ook Zijn plan ieders voorstelling te boven
op school leren wij hoe wij moéten geloven
als iemand gemeend dat soms anders ook doet
roept juf “fout” en “verkeerd” en “jij doet het niet goed”
mijn zonde is helder: Oo wee fantasie
het leven is hard hier tot kwart over drie

 


Op donderdagmiddag is mijn voorleesboek uit.
“Lotte, wil jij ons eens een verhaaltje vertellen over Snoet en Sproet?”
De irissen van haar soms bruinachtige ogen verkleuren glijdend vanaf de buitencirkel naar binnen toe lichter, als een beukenblad in de prille lente.

“Ik zal aan mama vragen of ze een verhaaltje voor ons wil opschrijven, juf. Wilt u het dan voorlezen?”
“Dat is leuk, Lotte, wat een goed idee!”

Vrijdagochtend tegen het einde van de schoolweek, vlak voor het gebed, zet ik de wekker op vijf minuten. En ik lees hardop:

“Er waren eens twee Eekhoorns. De ene heette Snoet en de andere Sproet.
Ze sliepen ieder apart in hun eigen nest, vlak bij elkaar in de kruin van een boom. Met twijgjes en takjes met bladeren hadden ze allebei hun eigen slaapkamer gebouwd. Hun kamers waren rond en hol, zo groot als een voetbal. Aan de binnenkant hadden zij hun nestjes behangen met schapenwol, gras en mos. Meer was er niet nodig. Zo werden hun holletjes vanbinnen waterdicht, warm en heel lekker zacht.
Twee keer per dag was het tijd voor de maaltijd. ’s Ochtends, nadat de Koekoek had geroepen, kwamen Snoet en Sproet hun nestjes uit.
‘Ga jíj vandaag naar de beek, Sproet?’ vroeg Snoet. Soms namen ze eerst een verfrissend bad. Maar andere keren wasten zij zich met een Hazenwasje.
Snoet en Sproet sprongen weleens uit de kruin van een boom naar beneden. Hun pluimstaart stond dan recht omhoog als een parachute.
Nog voor het ontbijt speelden zij een soort verstoppertje, maar net een klein beetje anders: Hun spelregels veranderden per seizoen.
In de winter begonnen Snoet en Sproet tegelijkertijd te zoeken naar hun ontbijt. Ze renden van boomholte naar mosbedje en ze groeven daarna, plotseling, vliegensvlug, met hun twee voorpootjes, drie eikeltjes, vier beukennootjes en een droge-, maar niet uitgedroogde kegel uit een kuiltje. Die hadden ze dan eerder in het jaar voor zichzelf in de grond verstopt. Ze pikten nooit eten van elkaar. Dat was een belangrijke spelregel. Maar dat liep vanzelf. Ieder ging gewoon de eigen neus achterna.
Als hun maagje genoeg gevuld was raceten Snoet en Sproet achter elkaar aan direct de eerste de beste boomkruin in. Om dan aan hun klimbomenpad te beginnen. Dat liep van boomkruin naar volgend bladerdek. Als zij een sprong moesten wagen staken zij wijs en trots hun pluimstaart recht achter hun billen achteruit en dan leken zij alle twee wel twéé keer zo lang.”

Dorena, Suus, Achmed, Lotte, Fransien, iedereen in mijn groep heeft aandachtig geluisterd.
“Is het nu al tijd, juf?” Joris. Onze zo vaak zo eigenwijze, oplettende, nadenkende, dagelijks ook opstandige Joris.
“Binnenkort meer denk ik”, beloof ik.
“We moeten nog bidden, juf”, roept Boaz ons tot de orde nog voordat de wekker gaat.


Het lijkt soms wel dat sommige bazen die over het aanbod aan verhalen voor kinderen op onze school willen gaan bang zijn voor sprookjes. Zoals zij bang lijken voor sprookjes lijk ik dan direct bang voor niet-sprookjes.
Helden zijn niet bang. Joris en Lotte zijn niet bang. Eekhoorns zijn niet bang.

Net als Lotte kan ik mijn leeshoofd echt niet afzetten. Toen ik nog niet zelf kon fietsen had ik dat leeshoofd al.
Mijn moeder trapte trappers net zo rond als de zomer zon die zoemend dauw verdampt in de vroege ochtend op verlaten asfalt. Ik zat in mijn stoeltje bij haar achterop en ik keek achterom: Er was een oude eekhoorn uit een boom gevallen. Hij lag in de berm langs de weg.

“Stop” had ik aan het begin van het schooljaar keer op keer tegen de kinderen in mijn klas gezegd. “Jouw minuut is voorbij.” Lotte had dan lang niet alle woorden op het toetsblad gelezen en iedereen in de klas had dat gehoord. ’s Middags kregen ze allemaal hun diploma. Boven in het rechter hoekje had ik in blauwe balpen blokletters bij alle kinderen een ander moeilijk woord geschreven. “Twijfelachtig” las Lotte foutloos voor.

Dat woord ging niet over Lotte! Dat woord gaat over mij.

“Stop!” schreeuw ik. “We moeten terug”. Mijn moeder zet onze fiets eerst op de standaard, maar daarna maar tegen een muurtje aan. We buigen ons over de eekhoorn die stilletjes op zijn zij ligt. Zijn oogjes zijn nog open. In zijn pluimstaart zit zand. Stukjes opgedroogd blad bewegen door de wind tussen de haartjes. Ik zie geen bloed, geen wond, geen bult. Hij heeft een mooi leven gehad. En nu is hij gevallen. Ik denk van ouderdom. Zijn hartje stopte er gewoon mee terwijl hij aan het klimmen was. Dat is wel jammer.
Dadelijk komt zijn familie hier ook en zijn vriendjes. En ik wil niet dat zij hem zo zien, liggend in een berm langs een asfaltweg.
Voorzichtig schep ik zijn lichaam in een kommetje van twee handen. Dan loop ik naar de stam van een boom. Daar leg ik zijn lijfje in het mos tussen twee wortels. Mijn moeder en ik plukken boterbloemen, viooltjes, fluitenkruid, vinden beukennootjes, dennenappels en ook vijf stenen: Vier om hem heen en één daar bovenop. Wij prikken een briefje op een stokje en schrijven daarop: “Hier rust een oude eekhoorn. Hij heeft een gelukkig en goed leven geleefd. Wij houden van hem.”


Het is inmiddels bijna zomervakantie. In mijn groep mag wie dat wil in de laatste schoolweken een spreekbeurt houden. Joris wil dat graag als eerste.

“Mag ik het over Witje doen, mijn kip? We hebben ook Zwartje, maar Witje durft mee in het lokaal.”
“Vraag eerst maar of mama dat goed vindt”, zeg ik. Daarna besluiten wij dat ook over de bezoeken van een kat, twee konijnen, een hond, een klasje stekelbaarsjes en een parkiet eerst thuis zal worden overlegd.

“Lotte neem jij Snoet en Sproet mee?”, vraagt Dorena. “Ik wil die wel eens horen praten”. Een paar kinderen lachen. Anderen kijken naar Lotte. Achmed en Joris kijken geschrokken eerst naar elkaar en dan voorzichtig naar Lotte. Lotte knijpt haar ogen smaller, langer, staart door wimpers heen naar een onzichtbaar punt in een verte. Ze klemt haar lippen gespannen samen. Ze zegt helemaal niks.

“Eekhoorns kunnen niet praten, hé Lotte?”, probeert Joris “Lotte?”
“Ik. Ik kan Snoet en Sproet verstáán!”, weet Lotte.
“Lotte jokt! Toch? Juf?”, wil Dorena triomferen.

Kleine, lieve Lise Lotte
nergens boos en nergens bang
koost de woorden in haar hoofdje
voor haar zelf zo van belang
Praten, jokken of verzinnen
dromen of heel echt beminnen
een teveel aan fantasie
of gewoon maar empathie?

“Ik weet dat Lotte het verzint. Dat weet ik door kippen. Kippen leggen iedere dag een ei. Maar ze praten niet! Ze kijken niet eens naar dat ei. Ze leggen het gewoon”, zegt Dorena.
De een staart naar zijn tafelblad, een ander door het raam naar de schapen in het weiland. Achmed knoopt een losgeraakte schoenveter. Joris kijkt mij verwachtingsvol aan. Ik kijk zolang naar Lotte tot Lotte ook naar mij kijkt. Dan knik en glimlach ik naar haar.

“Witje legt een ei zodat Joris dat kan opeten natuurlijk, juf”, klinkt Lotte. “Witje weet dat Joris haar voert. Daarom zorgt Witje terug voor hem. Zeg jij ‘dankjewel’, Joris?”
“Soms”, zegt Joris. Hij kijkt daarna even nadenkend voor zich uit: “Eén keer was de haan geweest. Daarna bleef Witje een heleboel dagen boven op de eieren zitten. Als ik toen een ei zou pakken, zou Witje mij pikken met haar snavel.”

verboden
verboden voor tovenaars, spreuken en staffen
verboden voor álle verzonnen bestaan
de Schepper kan ’s mensen ’s verzinsels niet aan
de kip en de haan komen heus vóór het kuiken
wij kennen de dieren en al hun gebruiken
geen kater wil ’s avonds een rokkostuum aan
geen olifant graag van de glijbaan afgaan
mijn zonde is helder: Oo wee fantasie
het leven is hard hier tot kwart over drie


Drie jaar geleden kwam de moeder van Lotte verwaaid naar mij toe. Dat was na mijn praatje tijdens een ouderavond op school. Toen zat Lotte’s broertje net bij mij in de klas. Een commissie van afgevaardigde collega’s had samen met ouders en andere volwassenen in het bestuur -met inspraak van wie ook maar vooraf al interesse had gehad in het onderwerp- uiteindelijk een vermoedelijke lijst gemaakt met titels van boeken daarop, die volgens de democratische conclusie van die vergadering voortaan niet meer geschikt zouden zijn voor enige bespreking op onze school, omdat ze over tovenarij zouden gaan.
Iedere leerkracht had net als ik de ouders van de kinderen in hun klas daarvan op de hoogte gesteld.
De meeste ouders slikten deze mededeling gewoon als zoete koek, zoals een meerderheid wel vaker doet, óf zoals onschuldige kinderen aannemen dat alle grote mensen nu eenmaal beter weten.
De mond van de moeder van Lotte was tijdens mijn praatje werkelijk wijd open gevallen. Terwijl alle ouders in kleine groepjes gemoedelijk nog wat stonden na te babbelen over hun kinderen in groep zes, kwam de moeder van Lotte met een verwarde blik in haar ogen naar mijn bureau. “Waait wel over”, dacht ik.
Dus toen ze mij eerlijk vertelde dat deze mededeling haar werkelijk intens verdrietig maakte, had ik niets anders weten uit te brengen dan: “Dan had u zich als belangstellende voor die vergadering moeten opgeven.”
Als er soms tijdelijk onvoldoendes worden gescoord in de wereld, had ik op dat moment een diepe te pakken.


Ik besloot tot een tweede huisbezoek. Dit keer ’s avonds.

“Ja”, zei de moeder van Lotte. “Thuisgekomen vergat ik verder alles.
Het was al half tien en Lotte zag door de kier van de deur met de kamer, hoe ik huilend het ene penseel voor het andere ruilde en dat ik middenin een tube verf kneep in plaats van rustig onderaan.
Maar de volgende dag na schooltijd kwam Geronimo, een vriendje van onze zoon, bij hem spelen. Geronimo zag mijn tekeningen. Hij glimlachte lief en hij zei: ‘Mijn oma is het zeker hiermee eens. Zij schildert ook graag. Ik word kinderburgemeester.’
Geronimo gaf ook mij toen zijn eigen mening niet. ‘Ik moet hier even over nadenken’, zei hij zoals wel vaker. Dat deed hij dan ook écht!
Een paar maanden later stierf Lotte’s opa. Als opa’s sterven is dat erg verdrietig. Het wordt in de loop van de tijd een ontroerend, dankbaar verdriet, zo groot, dat ook ik het niet kan zéggen. Maar Lotte houdt de dankbaarheid in zich. Dat blijft bij haar. En dat kunnen haar helden voelen, hoor, geloof dat maar. Dan hoef ik verder niks te zeggen.”

Ik denk aan mijn dode eekhoorn. Eraan dat die zomaar weer even uit de wolken was gewapperd en nu nog na dwarrelt in de wind en dat ik wil huppelen, dansen, springen, rollen, duikelen, net zolang, totdat alle kinderen en hun ouders languit op hun rug gaan liggen in het gras en samen naar de vogels kijken.

“Ze stonden opeens avond aan avond bij ons voor het voorraam. Ze waren met zijn vijven. Ze waren jaren ouder dan Lotte. Ze trokken gekke gezichten, steeds gekker, nóg gekker en toen kwam het aller gekste: ‘Hoer!’, riepen ze hard.
Lotte, jouw moeder is een heks. Een hoer met een broek aan. Zij mag geen tweede keer leven en jij ook niet. Jij hebt ook een broek aan. Dat is de schuld van jouw moeder”. Lotte was toen nog maar vier jaar. Waar Lotte ook ging -op het stoepje voor het huis of van de glijbaan in de speeltuin, zelfs over de schutting van onze achtertuin heen- die vijf kinderen en hun allengs groeiende groep meelopers deden iedere keer eerst, opnieuw, even erg aardig tegen haar. Lotte wilde zo graag samen buiten spelen! Toen Lotte een keer in de speeltuin haar barbiepop aan een van die meisjes gaf, gooiden zij -een stuk of acht veel grotere meisjes- in hun kring die pop alleen nog over naar elkaar. Uiteindelijk brak de laatste in het kringetje, voor Lotte’s ogen, de nek van de pop door en gooide die in de groene speeltuin prullenbak.
Zij spuugden en minachten haar met wie ik-van-horen-zeggen was. Ze verziekten haar spel en haar spontane vertrouwen in andere kinderen door duwen, of dwarsbomen, door vernielen of bekladden in naam van de Heer. Als ik er iets van zei, zeiden ze, ter gehore van Lotte, dat ik loog. Ze zeiden dat ik hartstikke gek en blind was en dat ik dingen verzon. Ze vroegen of ik niks beters te doen had dan hen te bespioneren. En dat ze van hun ouders echt niet naar een heks hoefden te luisteren.
Geen andere ouder greep in.
‘Waait wel over? God’s wil? Zo zijn kinderen?’
Ik had tot dan toe ervaren dat ook de meeste kinderen die in God geloven vanuit zichzelf veel te lief zijn voor geweld. Maar deze kinderen wilden met alle geweld beter weten wat God bedoelt”, zei de moeder van Lotte.

Ik denk aan Koen.
“Knuffel?”, wil ik zeggen. Maar dat staat zo gek. Dus ik vraag:
“Wilt u mijn klas alstublieft nog eens wat meer vertellen over eekhoorns?”
“Dat is goed.”


Het is inmiddels vrijdag. Lotte geeft mij bij binnenkomst een papiertje met daarop een nieuw verhaaltje van Snoet en Sproet. Aan het einde van de ochtend lees ik voor:

“’s Ochtends als de Koekoek alle dieren in het bos geroepen heeft, komen Snoet en Sproet hun bedjes uit. Sommige andere dieren gaan dan juist onderweg naar hun bed. Onder de boom waar Snoet en Sproet wonen klinkt geschuifel van Dassenpootjes en geritsel van droge blaadjes, maar dat zou ook de wind kunnen zijn.
Heel de familie Das heeft in de nacht over eeuwenoude paadjes gewandeld. Die paadjes heten wissels. Al het voedsel dat ze nodig hebben vinden Dassen het hele jaar door langs al die verschillende weggetjes die ze al heel lang kennen. Dassen kunnen in het donker niet goed zien en als het licht wordt, wordt dat er niet beter op. Ze zijn dus graag voor zonsopkomst weer terug bij hun veilige burcht.
Als ze op tijd hun bedje uit zijn praten Snoet en Sproet graag nog even met de Dassen. Iedere ochtend als de Dassen niet lang na de roep van de Koekoek in hun kasteel onder de grond naar binnen gaan, horen Snoet en Sproet mevrouw en meneer Duif een wens koeren. ‘Roekoe, roekoe, roekoe’. ‘Roekoe, roekoe, roekoe’. Dat is een wens die voor alle dieren geldt.
Hierna vormen alle Merels om de beurt en samen een koor: ‘Tjip, tjielp, tjieptjieptjieptjieptjiep.’ Maar nog voor de zon daarna echt opkomt, gaat het zingen van de Merels over in verschillende korte deuntjes, gekwetterd door steeds meer verschillende soorten bosvogels, die zich gaandeweg verdelen over de boomkruinen.”

“Deze ochtend loopt opa Das onrustig heen en weer voor de ingang van het Dassenhol. Snoet en Sproet kunnen zo zien dat hij zich zorgen maakt.
‘Wat is er gebeurd opa Das?’, vraagt Snoet. ‘Is alles goed gegaan vannacht?’, vraagt Sproet.
‘Ik weet het niet. Ik….weet ….het …niet’, mompelt opa Das. ‘Karolientje, zijieie.’
De lage stem van opa Das klinkt pieperig hoog bij dat laatste woordje. Daarna begint opa Das met zijn hele bovenlijf naar voor en terug te bewegen. Snoet ziet dat er tranen druppelen over de wangen van opa Das.
Pijlsnel laat zij zich naar beneden vallen! Daarna klautert ze in een razende vaart de rechterschouder van opa Das op. Sproet, die vaker even afwacht, doet daarna precies datzelfde, maar dan over links. Hun Vliegende Eekhoornneefjes -neefje Spruit en neefje Uk -twee schattige diertjes met vleugeltjes tussen hun teentjes, besluiten om nog niet naar hun bedjes te gaan. Vanuit het bladerdek hoog boven de grond luisteren ook zij toe. Ze zeggen geen van allen even iets. Ze wachten tot opa Das weer kan praten.”

“Veel dieren blijven graag in de buurt van de wissels van de familie Das.
Allemaal weten ze waar die paden uitkomen. De burcht is een ankerpunt in het bos.”

“In het kasteel heeft iedere Das een eigen kamer, behalve de allerkleinsten. Pas geboren Dasjes slapen met z’n allen warm en dicht tegen hun moeder aan.
Iedere kamer heeft ten minste twee deuren. En alle kamers zijn met elkaar verbonden door gangen en zijgangen en daar weer zijgangen van. Het lijkt er op een paleis van een koning en koningin, maar dan onder de grond. Het is een kasteel zonder torens. Uitkijktorens hebben Dassen ook helemaal niet nodig. Aan het gekwetter van de Vogels of aan het waarschuwende geroep van Eekhoorns als Snoet en Sproet, kunnen zij horen of er gevaar dreigt.
De familie Das heeft geen vijanden onder de dieren. Vroeger, toen er nog Wolven woonden in het bos, is dat wel anders geweest. Maar sinds de Wolven geëmigreerd zijn voelen de Dassen zich veilig.
Soms blijft een kamer in de burcht leeg. Meestal is dat nadat er een oude Das is overleden en er nog geen jonge Das is, die in die kamer alleen durft te slapen. Als meneer Vos in de nacht weer eens te ver van zijn eigen hol is geraakt, mag hij bij de Dassen logeren. Hij is dan inmiddels veel te moe om nog op Eekhoorns of Konijntjes te willen jagen.
De overgrootopa van de aller jongste Dasjes heeft al wel honderd jaar geleden de diepste gang gegraven. Die komt uit in een grote kelder waar heel de familie in past.
Honderd jaar geleden bestonden er nog stropers. Dat waren mensen die dieren probeerden te vangen in een val. Ook schoten stropers dieren dood, soms vanwege het vlees, vaak ook vanwege de huid van die dieren. Als de huid van het lichaam was afgehaald, als stropers de huid daarna goed hadden schoongemaakt, konden zij die huid duur verkopen aan kleermakers. Die maakten er jassen van voor Mensen.
Op Dassen werd gejaagd, maar ook op Vossen en Eekhoorns. Stropers wilden erg graag een mooie pluimstaart voor zichzelf.
Tegenwoordig is stropen gelukkig verboden!”

“Boswachter Sjors rijdt op deze regenachtige zondagmorgen in zijn jeep over de Nieuwe Bosweg. Hij is net uit bed gebeld door een wandelaar die gezien heeft dat er een deuk zit in de gazen schutting langs de rand van het Bovenste Bos, ter hoogte van de Bron van de Blije Beek. Sjors is ongerust en behoorlijk sjaggerijnig!”

“‘Jullie weten toch dat er al weken een ding langs de asfaltweg staat, Snoet?’, zegt opa Das. ‘Niemand van ons kan daar overheen, niemand van ons kan daar doorheen, dus zijn we aan het graven. Dat doen we al maanden! Een tunnel graven duurt lang!'”

“‘Vannacht was Karolientje opeens nergens. Wij dachten dat ze bezig was bessen te zoeken. We dachten dat zij ze misschien gevonden had. Maar toen zij niet terugkwam ging Jeroen haar halen. Jeroen kwam ook niet terug! Pas toen het echt tijd was is mijn hele familie over de wissel naar de burcht toegelopen. Wij konden niet bij de Nieuwe Bosweg blijven! Dat is veel te gevaarlijk dat begrijpen jullie! Mensen vertrekken dadelijk weer daaroverheen met hun auto’s – de felle koplampen aan- naar hun werk. Als Mensen ons daar zien lopen wij gevaar!
Bij de Grote Eik kwam ik de drie dames Ree tegen. Ze kwamen net terug van het Open Veld en zij wisten mij te vertellen dat Jeroen over het gaas is geklommen. Zo het asfalt op!’
Er scheurt iets bij Opa Das vanbinnen. Hij breekt in een luid snikken uit.
‘Hoe kan dat nou?’, vraagt Sproet.
‘Ik geloof er niks van’, zegt Snoet.
De Bonte Specht die aldoor met zijn snaveltje door dit hele gesprek heen heeft getikt in de stam van een boom, hipt nu op de grond voor de pootjes van opa Das.
‘Er zat een deuk in dat ding !’, weet de Bonte Specht.
‘Een deuk?’, vraagt Opa Das.
‘Ja. Iemand, ik denk een mens, is er eerder overheen geklommen. Op die plek is het ding nu stukken lager. Jeroen kon er daar gemakkelijk overheen! En wij kennen Karolientje allemaal, toch…?’, meent de Bonte Specht.
Opa Das huilt nu niet meer. Hij kijkt nadenkend voor zich uit.”


“Maandag weer, juf?”, vraagt Anne.
“Hoop ik”, zeg ik.
Na het gebed, als iedereen vrolijk voor het weekend naar huis gaat, blijft Lotte nog even in het lokaal achter. Samen met de klassenhulpjes veegt zij de vloer. Ze haalt een nat doekje over alle tafeltjes. Als ook de hulpjes de deur uitgaan blijft Lotte nog even op de drempel staan. Haar hele gezichtje straalt.
“Knap hé, van mama!”, zegt Lotte.

“Ja, Lotte! Iedereen is benieuwd hoe dit verder gaat.”

“Toen ik vier was had mama voor mij een ander verhaal verzonnen, juf”, zegt Lotte.
“Mama denkt dat u dat niet mag voorlezen van ons schoolbestuur, omdat het over tovenarij gaat. Maar ik vind het mijn mooiste verhaal. En als u wilt mag u het thuis wel lezen.”
Geen spoortje van twijfel of schaamte. Een ontwapenend zelfverzekerde, lieve, kleine Lise Lotte, zoals ik haar ken, geeft mij een bedrukt A-viertje.
Eenmaal thuis op de bank, als onze kinderen naar bed zijn, lees ik stilletjes:

“En nadat die pestkoppen hun moeder Heks en Hoer hadden genoemd, toen ze gezegd hadden dat ook opa Eekhoorn geen tweede keer mocht leven, toen pakte de oma van Snoet en Sproet haar schrobber, juf! Ze ging met de steel naar voren, wijdbeens, vlak voor de borstel zitten! Ze deed de voordeur van haar nestje open en ze vloog zomaar opeens weg! Haar pluimstaart wapperde als een wimpel aan een vlaggenmast in de wind en Snoet en Sproet hoorden hun oma voor het eerst in hun leven lelijk lachen! Er zat een kraaiachtige kras in het geluid dat tot hoog boven de boomkruinen loeide! Maar Snoet en Sproet werden niet bang. Ze werden trots. Trots op oma Eekhoorn!
Weken later kwam oma Eekhoorn pas weer terug, juf! Ze kwam niet alleen. Ze had twee Eekhoorns in hele mooie pakken achter zich op de steel van de schrobber zitten. Die zwaaiden met één pootje en ze lachten naar Snoet en Sproet.
Oma Eekhoorn had hen uit de hemel gehaald. Eén Eekhoorn was agent geweest en de andere dominee. En Snoet en Sproet zagen met hun eigen ogen: Soms mogen Eekhoorns een tweede keer leven omdat zij op aarde kinderen tot dienst willen zijn.”

Net als Lotte en net als haar moeder kan ik mijn leeshoofd moeilijk afzetten.
Het rommelt na over eeuwen oude wissels in het bos -waar reeën en zwijnen en vossen wandelen- naar oude en nieuwe paden, door steden en dorpen over bergen, door zand, over water, waar mensen wandelen, fietsen, rijden, zwemmen of varen. Het rommelt naar waar het soms echt tijd is om te rekenen.
Naar mijn toetsenbord. Naar hun rekje met kralen. Naar de vingers aan hun hand.
Naar een doosje met blokjes. Naar plastic geld. Er zijn zo veel spullen nodig!

Het voordeel daarvan is dat het tot nu toe nog niemand is opgevallen dat in de hoek van mijn bureaulaatje inmiddels mijn eigen Kwadraat logeert.

Kwadraat is nog ouder dan de Heilige Sint
Ik hoorde hem praten als tweejarig kind
Zo zuiver en waar heb ik sindsdien geweten:
Kwadraat wil ik nooit in mijn leven vergeten
Ons gesprek ging erover dat ik dus besta
en hij was zo lang weer verdwenen daarna

Zodra ik met getallen moest werken geloofde ik niet meer dat ik een held was. Niet dat ik het was en ook niet dat ik het ooit zou kunnen zijn. Dan wist ik zeker dat ik dat mijzelf had wijsgemaakt, gewoon, omdat een held het allerliefste was dat ook ik wel zou willen zijn.

Dat ongeloof zal levenslang terugkomen. Maar andere helden herken ik wel! Dus lees ik na schooltijd superhelden, waarvan ik zeker weet dat ik dus niet alles begrijp, maar die het mij hebben voorgedaan.
Ook spreek ik met God, omdat ik van God weet dat Hij – om ergens te kunnen beginnen- ook echt eerst zichzelf heeft wijs gemaakt. Geen held kan aan God tippen. Maar ik mag wel tips vragen. God zei mij dat ik Hem mocht geloven. En dat iederéén zo af en toe held mag zijn op een eigen manier.

En toen zag ik mijn oude Kwadraat opeens weer. Hij zat zomaar tussen de appelbloesembloempjes aan het boompje in onze tuin.

“een keer een blijft maar alleen
al is een ook twee helften
de helft kan ook gedeeld door twee
keer twee gaat dat hetzelfde”
 zong hij.

“Dat rijmt niet”, zei ik.
“Blijf dan maar alleen”, riep hij.

Hij zat op de tak en hij nam uit zijn zak een pijpje. Hij deed in de bol een snuifje tabak en hij vuurde dat aan met een knijpje. Hij zei heel lang niets en hij keek maar naar mij hoe ik zat op een steen voor ons huisje. Toen trippelde daar voor mijn voeten heel vlot een klein spitsig vriendelijk muisje.

“Met joúw liedjes”, zei hij.
“Hoe weet jij dát?”, vroeg ik.

Het muisje stond stil naast de stam van de boom met zijn kopje wat scheef schuin naar boven. Kwadraat stond toen op en hij gleed van de tak om mij laag bij de grond te beloven: “Als jij plus doet dan weet je al iets komt erbij wat er af gaat maakt altijd weer minder. Maar keer is gedeeld en dan in een kwadraat daarvan óndervind niemand ooit hinder.”

 “Kom je nog eens?”, vroeg ik. “Ga je nooit?”, want de muis met Kwadraat op de rug, wilde gaan.

“Ik woon in het huis van de klok aan de muur en ik kan jou op school wel bezoeken. Als jij voortaan rekent dan roep je mij maar en dan vind je mij tussen jouw boeken.”

Helden weten dat ze soms voor geen halve centimeter worden geloofd. Als zij wat zeggen wordt dat regelmatig weggeveegd met woorden zoals stof op een plank van de kast met een doekje. Maar zij weten dat er zelfs onder de tórren zijn die held kunnen heten.

Mijn moeder en ik liepen over een paadje langs een weiland voor het bos. Er stonden koeien in. Vliegen vlogen rond hun oren en ook zaten die op hun achterste bij dat gat. Ze sloegen met hun staarten. “Wie?”, vroeg mijn moeder. Mijn moeder vond het zelfs niet gek als vliegen op hun achterste zaten en met hun staarten zwaaiden. Opeens stond ik stil, want ik zag over het pad een zwarte tor bewegen. Hij kroop pootje voor pootje naar de overkant en ik zag ook waarom: Over zijn lijfje paradeerden bruine mieren. Ik stond, ik keek en ik knielde: Met z’n allen tegen één.

“Pestkop Pestkop Pestkop
Pestkoppen bestaan
En doe je daar iets tegen
Dan héb je dat gedaan
Dan lig je in je bedje
Dan denk je ‘híj was stout’
Dan kun je niet goed slapen
Was hoe jij was dan fout?
Jij bent toch een lief meisje
Wat mogelijk niemand weet
Maar wel misschien die Pestkop
Die eigenlijk anders heet”

Ik zag hoe het spitse vriendelijke muisje met Kwadraat op zijn rug pijlsnel langs het prikkeldraad trippelde in de richting van de rand van het bos.

Mijn wijsvinger was geen stokje, maar ik legde hem op de grond. Even twijfelde het torretje en leek het alsof hij er om heen wilde lopen. Toen voelde ik zijn voorpootjes voorzichtig kriebelen. Ik wachtte tot ik alle pootjes voelde en hief daarna mijn vinger als een brug omhoog.
Dit zaaide verwarring in de groep van de mieren. Snel stond ik op en ik nam mijn uitgestoken arm mee omhoog. Een vijftal ellendelingen krioelde in paniek over mijn vinger, rende zelfs op de kóp richting mijn handpalm. Een stuk of drie miertjes plakten aan het harde schild om de rug van de tor.
Als ik toen hard had geblazen zou het misschien opnieuw zijn begonnen en de tor zou te duizelig zijn geweest om mijn brug weer te vinden na zo’n val.
Zou hij op zijn rug zijn gevallen, al zijn pootjes stampend in de lucht?
Ik hield mijn adem in.
Met mijn andere hand kon ik tussen duim en wijsvinger om de beurt vijf miertjes lopend gemakkelijk plukken. Daarna volgden er drie waarvoor ik even mijn pas in moest houden. Met één tik van twee vingers liet ik hen stuk voor stuk vallen op de grond. Zij hadden geen parachute maar rolden toch terug op hun pootjes.
Mijn moeder, de tor en ik volgden het pad voorbij de bosrand ver vandaan die mieren.
Pas daar legde ik mijn vinger weer neer en ik zag hoe ook de tor het mos op wandelde alsof er niets was gebeurd.


Het is inmiddels bijna zomervakantie. Vandaag gaat onze school naar Duinrel. Joris, Jeffrey,  Lotte en Achmed zitten in een kuipje aan het verder nog niet bezeten reuzenrad dat na enkele minuutjes toch gaat draaien.

“Oh, we zijn vliegende eekhoorns”, roept Lotte. “We gaan hoger, kijk, we zweven.”
“Niet gaan staan Joris”, waarschuwt Achmed.
“Misschien komen we wel langs God”, oppert Jeffrey.
“Ja”, meent Lotte “en dat Hij dan eventjes naar ons zwaait, tussen twee wolken door.”

vier kindjes in een zwevend kuipje
heffen hun hoofd tussen schouders geklemd
zoeken hun Schepper om samen te delen
dat zij vandaag werkelijk worden verwend

“Woont jouw God daar ook, Achmed?”, wil Jeffrey weten. Direct buigt Achmed zijn nek terug in een boogje, waardoor zijn uitzicht tot zijn eigen twee knieën wordt beperkt.
“Sorry, Achmed”, zegt Jeffrey. En hij slaat zijn arm om Achmed heen.

Twee jongens en een Zoon van God
Zijn hart stond open voor ieder op aard
Hij was niet voor één volk verkoren
Hij opende ogen van wie kijken wou
en geen mens was voor eeuwig verloren
een hand op je schouder
een kus op je wang
een vriend ook in eenzame tijden
moed in je oren
geen noten, geen zang
maar vertrouwen, wat mensen ook zeiden
Heeft de God die Hij eerde ’n andere naam?
Blijft God eeuwen voor Christus geboren!
Wil Hij onder jou, onder mij, onder ons
echt geen ruzie, nooit, nimmer meer horen
Kan het, zonder schade, dat God ons beroept
op waar Iemand voor ons is gestorven?
Op leven in liefde, in volle geluk
met een ieder en dan onbedorven?
Zou de Schepper van Leven op aard heel misschien
een Zoon onder ons laten leven
om elkaar welgemeend, vanaf nu en voor goed
elk kortzichtig gelijk te vergeven?


Schrijvers zijn superhelden. Ze kunnen dromen waarmaken. Ze komen veel te weinig op scholen zoals die van Lotte, haar moeder en mij. Als kleine held moet je daarom dus soms helemaal zelf ontdekken dat ze echt bestaan. Zoiets noem ik een wissel in werking. Als raden van scholen op voorhand al schrijvers de mond willen snoeren kunnen ze dan ooit echt open luisteren naar een kind? Of wordt een kleine held daarmee uitgenodigd om net als meneer Vos haar heil overdag maar te vinden in een leegstaande kamer in de herberg van de familie Das?

Ik meen dat de bazen die over de bezoeken van superhelden aan scholen willen gaan mogelijk niet goed begrijpen waarom superhelden bestaan. Ik meen ook dat helden en superhelden hun weg naar elkaar echt wel vinden als ze dat beiden willen.
En dat daar voor of daar tegen geen tovenarij bestaat, echter wel het mysterie van wederzijds vertrouwen, van plezier in elkaars werk, van afzonderlijk willen bijdragen aan hetzelfde doel en van oprecht geloven in elkaars kunnen.
De stimulans die daarvan uitgaat is wat mij betreft onbetaalbaar, maar verdient het te worden opgenomen en beloond zoals álle werk voor de samenleving.

Misschien was de overleden eekhoorn in mijn jeugd wel de opa van Lotte’s Snoet en Sproet. Ongetwijfeld was hij ook professor. Dat is iemand die heel goed is in een vak of in een deel van een vak en die dat deel dan tot de tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende tot in de oneindige macht vermenigvuldigt, zodat er steeds iets goed nieuws mee kan. Voor mij werden opa en oma Eekhoorn helden. Niet vanwege een vak maar om al hun kneepjes van vermenigvuldiging.

En diertjes?

Ik vang ze wel eens en dan tel ik hoeveel en dan wil ik ze altijd voor lange. Dan praat ik met God en dan weet ik steeds weer dat Hij ook niet echt houdt van gevangen. Ik droom in het echt íemand moet dat toch doen dus ik droom in een wereld vol helden. Ik lees ook heel graag niet alleen voor techniek wat ze tijden gelee al vertelden. Dat de Geest van De Schepper van Leven Op Aard echt zijn wijsheid niet spaart voor verkoren. Maar dat Híj Zelf kiest in oneindige tijd wie hem waar wel of niet hoe zal horen.

Beatrijs